ECLI:NL:CBB:2021:141
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet ongegrond verklaard
Appellant exploiteert een melkveehouderij en betwist het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Hij stelt dat het fosfaatrechtenstelsel het recht op eigendom aantast en dat hij onevenredig wordt getroffen door vertraging in vergunningverlening en investeringen die niet kunnen worden terugverdiend.
Het College overweegt dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Vertraging in vergunningverlening komt in beginsel voor risico van de ondernemer, maar in dit geval was het begrijpelijk dat appellant aanvankelijk dacht dat een melding volstond, vanwege jurisprudentiële onduidelijkheid.
De keuze van appellant om uit te breiden door eigen aanwas en het aangaan van financiële verplichtingen vóór de afschaffing van het melkquotum brengt ondernemersrisico's met zich mee die niet op het collectief kunnen worden afgewenteld. Het College concludeert dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan de belangen van appellant, en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.