ECLI:NL:CBB:2019:369
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en toepassing generieke korting afgewezen
Appellante betwistte het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld en de generieke korting van 8,3% werd toegepast. Zij stelde dat sprake was van een onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht en dat het stelsel van fosfaatrechten een onevenredige last voor haar vormde. Tevens voerde zij aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat grondgebonden bedrijven geen korting kregen.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vrijstelling die appellante had ontvangen op grond van de AMvB grondgebondenheid kon niet leiden tot een in rechte te honoreren verwachting dat zij niet door toekomstige maatregelen zou worden getroffen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de minister gebonden was aan wettelijke voorschriften.
Ten slotte concludeerde het College dat appellante onvoldoende concreet had aangetoond op welke wijze en in welke mate haar bedrijf werd geraakt door het aantal toegekende fosfaatrechten. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat sprake was van een individuele en buitensporige last. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht en de generieke korting wordt ongegrond verklaard.