ECLI:NL:CBB:2021:14
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrechten en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante, een melkveehouderij, betwistte het vastgestelde fosfaatrecht dat gebaseerd is op de dierenaantallen van 2 juli 2015. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en dat het stelsel niet voorzienbaar was, mede vanwege haar uitbreidingsplannen en investeringen in een nieuwe ligboxenstal. Verweerder handhaafde het besluit en voerde aan dat het stelsel niet in strijd is met het recht op eigendom en dat de investeringen van appellante ondernemersrisico's zijn.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was en dat het niet vergelijkbaar is met het Wvgm-stelsel, omdat het stelsel op mestproductie stuurt en niet op groei. De uitbreiding van appellante was niet navolgbaar gezien de timing en de voorziene maatregelen na afschaffing van het melkquotum. Het College concludeerde dat er geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het belang van milieu- en volksgezondheid zwaarder weegt dan de belangen van appellante.
Daarnaast stelde het College vast dat de behandeling van bezwaar en beroep de redelijke termijn overschreed. Daarom werd een immateriële schadevergoeding van € 1000 toegekend, waarvan € 818,18 voor rekening van verweerder en € 181,82 voor rekening van de Staat. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht is ongegrond verklaard en appellante krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.