In deze zaak stond de vraag centraal of de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de tarieven die zij aan slachthuizen in rekening brengt voor controles bij vleeskeuringen op juiste wijze heeft opgebouwd en of deze tarieven voldoen aan Europese regelgeving. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) verwees eerder prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, dat op 19 december 2019 uitsprak dat bepaalde kosten, zoals voor het opbouwen van een weerstandsvermogen, niet in rekening mogen worden gebracht.
Het CBb oordeelde dat de minister onvoldoende inzicht heeft gegeven in de opbouw van de tarieven, waardoor niet kan worden vastgesteld of de tarieven in overeenstemming zijn met Verordening nr. 882/2004. Tevens bleek dat kosten voor een zevende officiële assistent ten onrechte zijn doorberekend. De minister heeft nieuwe besluiten genomen, maar het College acht deze correcties onvoldoende onderbouwd.
Het CBb vernietigt de bestreden besluiten en de besluiten van 30 juni 2020 voor zover deze betrekking hebben op de inzet van de zevende assistent. De minister wordt opgedragen binnen 26 weken nieuwe besluiten te nemen die transparant inzicht geven in de tariefopbouw en voldoen aan de Europese regels. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht worden vergoed.