ECLI:NL:CBB:2020:520
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrecht en individuele last bij bedrijfsverplaatsing melkveebedrijf
Appellante, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw over de vaststelling van haar fosfaatrecht per 1 januari 2018, waarbij verweerder het fosfaatrecht had vastgesteld op basis van de veestapel op 2 juli 2015. Appellante stelde dat zij onterecht geen rekening had gekregen met nog niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en dat de financiële gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormden.
Het College overwoog dat appellante niet voldeed aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit Msw en dat investeringen na de peildatum in principe geen grond bieden voor een hogere fosfaatrechttoekenning. Tevens was de omvangrijke uitbreiding niet noodzakelijk aangetoond. De vertraging door de onteigeningsprocedure maakte dit niet anders. Het risico van de productiebeperkende maatregelen was voorzienbaar bij het aangaan van investeringen.
Het College concludeerde dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan de belangen van appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed en verweerder veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtbesluit wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.