Appellante, een melkveehouderij, moest haar bedrijf verplaatsen vanwege natuurontwikkeling. Zij voerde aan dat haar fosfaatrecht verhoogd moest worden omdat zij op de peildatum tijdelijk minder melkvee hield door de verplaatsing en dat de uitbreiding op de nieuwe locatie noodzakelijk was. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de feitelijke veebezetting op 2 juli 2015 zonder verhoging.
Het College oordeelt dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit omdat haar fosfaatrecht niet minimaal 5% lager was dan zonder de bijzondere omstandigheid. De nog niet gerealiseerde uitbreidingen hoefden niet te worden meegewogen. Ook is geen strijd met het eigendomsrecht uit het Eerste Protocol bij het EVRM vastgesteld.
De door appellante overgelegde accountantsrapportages overtuigen het College niet dat voortzetting van het bedrijf op historische grootte bedrijfseconomisch onhaalbaar was. De vergunningen voor uitbreiding werden verleend in 2015 en de bouw van de stal startte op 1 juli 2015, waardoor appellante de risico's van haar keuze droeg.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante wegens onvoldoende motivering in het bestreden besluit. Het College benadrukt dat de onzekerheid na de afschaffing van het melkquotum ondernemersrisico's met zich bracht waarvoor zij zelf verantwoordelijk zijn.