ECLI:NL:CBB:2020:172
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing knelgevallenregeling fosfaatrechten wegens onvoldoende bewijs individuele en buitensporige last
Appellant exploiteert een melkveehouderij en heeft uitbreidingsplannen gemaakt in het licht van de afschaffing van het melkquotum. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015, de datum waarop appellant ziek werd. Appellant betoogde dat het fosfaatrecht op grond van de knelgevallenregeling verhoogd moest worden tot het niveau van zijn uitbreidingsplannen, omdat hij onomkeerbare investeringen had gedaan en het huidige fosfaatrecht leidt tot een individuele en buitensporige last in strijd met artikel 1 EP Pro.
Het College oordeelde dat verweerder terecht het beroep op de knelgevallenregeling heeft afgewezen, omdat het fosfaatrecht op 2 juli 2015 niet lager was dan daarvoor en appellant onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft gesteld. Het College benadrukte dat investeringen na 2009, toen bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, in de regel niet navolgbaar zijn vanwege de te verwachten maatregelen. Appellant droeg zelf het ondernemersrisico van zijn uitbreidingsbeslissingen.
Het College overwoog verder dat het fosfaatrechtenstelsel een regulering van eigendom betreft en dat niet ieder vermogensverlies een individuele en buitensporige last vormt. De wetgever heeft bewust afgezien van een knelgevallenvoorziening voor melkveehouders met investeringen die onder druk komen te staan door het stelsel. Het beroep op artikel 1 EP Pro slaagt niet omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat het stelsel op hem een individuele en buitensporige last legt.
Het College verklaarde het beroep ongegrond, bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed en veroordeelde verweerder in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.