Appellante exploiteert een melkveehouderij en wenste uit te breiden van 70 naar 115 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee. Hiervoor werden in 2009 investeringen gedaan in een stal en financieringsovereenkomsten afgesloten. De groei stagneerde door gebrek aan financiële middelen en werd pas vanaf april 2015 weer opgepakt. Op 2 juli 2015, de peildatum voor het fosfaatrechtenstelsel, waren de beoogde aantallen dieren nog niet volledig gerealiseerd.
Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de op de peildatum aanwezige dieren en paste een generieke korting toe. Appellante voerde aan dat dit een individuele en buitensporige last opleverde, omdat de investeringen waren gebaseerd op de maximale capaciteit van het bedrijf en de uitbreiding niet rendabel kon worden gemaakt.
Het College oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat bijzondere omstandigheden buiten haar invloedssfeer tot een individuele en buitensporige last leiden. De groei na 1 april 2015 was opmerkelijk gezien de toen bekende beperkingen en risico’s. De financiële gevolgen van de ondernemerskeuze zijn voor eigen rekening. Wel is geoordeeld dat verweerder het bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat het beroep inhoudelijk ongegrond is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het betaalde griffierecht wordt aan appellante vergoed en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante ten bedrage van €1.050,-.