Appellante exploiteert een melkveehouderij en voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de vaststelling van haar fosfaatrecht. Zij stelde dat de minister ten onrechte geen rekening hield met niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en dat haar eigendomsrecht werd aangetast door een individuele en buitensporige last.
Het College overwoog dat de knelgevallenregeling geen toepassing vindt op niet gerealiseerde uitbreidingen en dat de minister terecht geen rekening hield met deze plannen. De bewijslast voor een individuele en buitensporige last lag bij appellante, die onvoldoende inzicht gaf in haar bedrijfseconomische situatie en de gevolgen van het fosfaatrechtstelsel. Ook speelde het feit dat zij een bedrijf inclusief fosfaatrechten had overgenomen, waarbij het tekort in de koopprijs was verdisconteerd.
Het College erkende dat het bestreden besluit onrechtmatig was omdat het fosfaatrecht aanvankelijk onjuist was vastgesteld. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het fosfaatrecht werd vastgesteld op 23.733 kg. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.