ECLI:NL:RVS:2023:3091
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bewaring vreemdeling wegens ontbreken verzwaarde belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 5 juli 2023 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling verbleef op dat moment langer dan zes maanden ononderbroken in vreemdelingenbewaring, waardoor een verzwaarde belangenafweging vereist was.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de verzwaarde belangenafweging uit de maatregel moest blijken en dat deze ontbrak. Dit leidde tot schending van de belangen van de vreemdeling en maakte de maatregel vanaf het begin onrechtmatig.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 9 augustus 2023 wordt opgeheven. Daarnaast werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €3.600 toegekend voor de periode van 5 juli tot en met 9 augustus 2023. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.511, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens het ontbreken van een verzwaarde belangenafweging en er wordt een schadevergoeding toegekend.