Uitspraak
Datum uitspraak: 9 februari 2022
Raad van State
Elite Security Force verzocht op 16 januari 2018 toestemming om [wederpartij] als beveiliger te laten werken. De korpschef weigerde deze toestemming op grond van onvoldoende betrouwbaarheid, gebaseerd op twee incidenten waarbij [wederpartij] zonder toestemming beveiligingswerkzaamheden zou hebben verricht, op 3 maart 2018 in een café in Den Haag en op 29 juli 2018 bij een club in Tilburg.
De rechtbank oordeelde dat er twijfel bestond over het incident in het café en dat de korpschef onvoldoende had gemotiveerd waarom [wederpartij] onbetrouwbaar zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak en stelt dat de korpschef terecht heeft geoordeeld dat [wederpartij] zonder toestemming beveiligingswerkzaamheden verrichtte. De rechtbank ging volgens de Afdeling onjuist uit van een vage scheidslijn tussen gastheer en beveiliger.
De Afdeling benadrukt dat de korpschef beoordelingsruimte heeft om betrouwbaarheid streng te toetsen in de beveiligingsbranche en dat het tonen van het legitimatiebewijs van [wederpartij] tijdens het incident in het café een sterke aanwijzing is dat hij zelf aanwezig was. De Afdeling vernietigt het besluit van 30 januari 2019 en het daaropvolgende besluit van 17 juli 2020 en beveelt de korpschef een nieuw besluit te nemen met een zorgvuldige en deugdelijke motivering, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de verstreken tijd.
Uitkomst: Het besluit van de korpschef om toestemming te weigeren wordt vernietigd en de korpschef wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.