ECLI:NL:RVS:2022:1361
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens drugshandel op openbare plaats in Den Helder
De burgemeester van Den Helder legde op 17 juni 2020 een last onder dwangsom op aan appellant wegens het zich ophouden op een openbare plaats met het kennelijke doel om softdrugs te kopen, in strijd met artikel 2:74 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (Apv) Den Helder 2019. Dit volgde op een bestuurlijke rapportage van de politie over een aanhouding op 24 april 2020, waarbij appellant in een Tesla op een parkeerterrein zat met geld en een persoon die wiet wilde verkopen.
Appellant maakte bezwaar tegen de last onder dwangsom, stellende onder meer dat artikel 2:74 van Pro de Apv onrechtmatig is omdat het zou dupliceren met de Opiumwet, dat het begrip 'zich ophouden' onduidelijk is, dat de last onnodig en disproportioneel is en dat de last een strafrechtelijke sanctie betreft waarvoor waarborgen uit het EVRM gelden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat artikel 2:74 van Pro de Apv niet in strijd is met de Gemeentewet of de Opiumwet en dat het verbod gericht is op het voorkomen van overlast en het handhaven van de openbare orde. Het begrip 'zich ophouden' wordt uitgelegd als tijdelijk verblijven, wat in casu is vastgesteld. De last onder dwangsom is geen strafrechtelijke sanctie maar een herstelsanctie gericht op het voorkomen van herhaling, en de hoogte van de dwangsom is proportioneel.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de last onder dwangsom wegens drugshandel op een openbare plaats en verklaart het hoger beroep ongegrond.