ECLI:NL:RVS:2021:2930
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake handhaving dam met duiker en beschoeiing te Nieuwersluis
Het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht wees aanvankelijk een verzoek om handhaving tegen een dam met duiker en beschoeiing af, waarna na bezwaar handhavend werd opgetreden en een last onder dwangsom werd opgelegd aan de eigenaar van het perceel. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarna beide partijen hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de dam met duiker en de beschoeiing tezamen een bouwwerk vormen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Hoewel een vergunning voor een stuw in 2008 was verleend, betrof dit niet de dam en beschoeiing waar het geschil over gaat. De eigenaar van het perceel werd terecht als overtreder aangemerkt omdat hij medewerking had verleend aan de bouw.
Verder werd geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat vergelijkbare gevallen zonder vergunning zijn toegestaan. Ook het beroep tegen de invordering van de dwangsom faalt, omdat de overtreding niet tijdig is hersteld en geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die invordering onredelijk maken.
Ten aanzien van het tweede verzoek om handhaving tegen de dam met duiker oordeelde de rechtbank dat deze geen bouwwerk vormt waarvoor een vergunning nodig is, en dat het college daarom niet bevoegd was op te treden. Dit oordeel wordt door de Raad van State bevestigd. Het gebruik van de dam als uitrit valt buiten het bestreden besluit.
De Raad van State verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de hoger beroepen ongegrond.