ECLI:NL:RVS:2021:2159
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.J. Borman
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling kan identiteit en nationaliteit niet aannemelijk maken op basis van vals bevonden paspoort
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 februari 2018 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat de identiteit en nationaliteit niet aannemelijk waren gemaakt. De vreemdeling had een Liberiaans paspoort overgelegd dat door Bureau Documenten als echt was bevonden, maar dat was afgegeven op basis van een vals bevonden geboorteakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet consistent was in zijn verklaringen over identiteit en nationaliteit en dat het paspoort onvoldoende bewijs bood vanwege de vals bevonden geboorteakte en andere valse documenten.
De Raad van State stelde dat de staatssecretaris terecht twijfelde aan de bewijskracht van het paspoort en dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn identiteit en nationaliteit juist waren. Ook de inschrijving in Nederlandse registers en erkenning van kinderen leverden geen bewijs op.
Verder oordeelde de Raad dat de belangenafweging door de staatssecretaris, waarbij het algemeen belang zwaarder woog dan het persoonlijk belang van de vreemdeling, zorgvuldig en gemotiveerd was gemaakt. Het beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond; het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.