ECLI:NL:RVS:2021:1740
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere huurtoeslag na samenwoning en terugvordering voorschotten 2018
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waarin werd geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht de huurtoeslag over 2018 definitief heeft vastgesteld op een lager bedrag. Dit lagere bedrag volgt uit het meenemen van het jaarinkomen van de toeslagpartner over de maanden augustus tot en met december 2018, omdat deze vanaf 13 juli 2018 op hetzelfde adres stond ingeschreven.
Appellant betoogde dat het onterecht was om het volledige jaarinkomen van de partner mee te rekenen terwijl zij slechts een deel van het jaar samenwoonden, wat volgens hem leidde tot dubbele telling en een onterechte terugvordering. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de wetgeving uitgaat van jaarinkomens en dat wijzigingen in omstandigheden pas vanaf de eerste dag van de volgende maand worden meegenomen. Hierdoor is het inkomen van de partner alleen vanaf augustus relevant voor de toeslagberekening.
Verder is vastgesteld dat het inkomen van de partner in de periode januari tot juli mogelijk is meegenomen bij de toeslag op het eerdere adres, maar dit leidt niet tot dubbele telling voor appellant. De terugvordering van €388,- is volgens de Afdeling terecht en de Belastingdienst heeft discretionaire ruimte om betalingsregelingen te treffen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere huurtoeslag en terugvordering worden bevestigd.