ECLI:NL:RVS:2021:1547
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep handhavingsverzoek aanbouw woning Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen appellant en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam over een aanbouw bij een woning aan een perceel in Rotterdam. Appellant verzocht het college handhavend op te treden tegen de aanbouw omdat volgens hem een omgevingsvergunning vereist was. Het college wees dit verzoek af en verleende later een omgevingsvergunning voor een andere uitbreiding.
Appellant stelde beroep in tegen de besluiten, maar de rechtbank verklaarde zijn beroep niet-ontvankelijk omdat appellant te laat beroep had ingesteld tegen het besluit van 13 maart 2018 over de afwijzing van het handhavingsverzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college geen deugdelijke verzendadministratie heeft en daardoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant het besluit tijdig heeft ontvangen. Hierdoor is het beroep van appellant tijdig ingediend.
De Afdeling vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en beoordeelt het beroep inhoudelijk. Appellant betoogt dat de aanbouw niet in het achtererfgebied is gebouwd omdat de voorgevel onjuist is vastgesteld. De Afdeling volgt het college dat de oostgevel de voorgevel is, gelet op de feitelijke situatie en het bestemmingsplan. Ook is het water aan de zuidzijde geen openbaar vaarwater, zodat het niet meetelt bij de berekening van het bebouwingsgebied.
Het beroep tegen het besluit van 13 maart 2018 over de weigering handhavend op te treden wordt ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vernietigd en het beroep inhoudelijk ongegrond verklaard.