ECLI:NL:RVS:2020:1429

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
202001878/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens bescherming in Italië

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 26 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk, omdat de vreemdeling in Italië internationale bescherming geniet. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat vertrek naar Italië feitelijk onmogelijk is vanwege de coronapandemie en de gesloten grenzen.

De Raad van State oordeelde dat het tijdelijke feitelijke beletsel om naar Italië te reizen niet afdoet aan de rechtmatigheid van het niet-ontvankelijkheidsbesluit. Zodra het mogelijk is, kan de vreemdeling in beginsel naar Italië vertrekken. De grief faalt daarom. Een tweede grief werd niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag verblijfsvergunning asiel bevestigd.

Uitspraak

202001878/1/V1.
Datum uitspraak: 17 juni 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2020 in zaak nr. NL20.5120 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat de vreemdeling in Italië internationale bescherming geniet.
2.    In de eerste grief betoogt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat vertrek naar Italië voor haar feitelijk onmogelijk is, omdat niet meer naar Italië gevlogen wordt, de grenzen met buurlanden zijn afgesloten en zij, om een gebied te kunnen bereiken waar de verspreiding van het coronavirus nog beperkt is, zal moeten reizen door gebieden met een hoge concentratie aan besmettingen.
2.1.    De stelling van de vreemdeling dat zij op dit moment niet naar Italië kan vertrekken betreft een tijdelijk, feitelijk beletsel dat niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van het besluit waarbij de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard en er niet aan in de weg kan staan dat zij, zodra de mogelijkheid daartoe bestaat, in beginsel naar Italië kan vertrekken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032).
De grief faalt.
3.    Wat de vreemdeling in grief twee heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020
574.