ECLI:NL:RVS:2020:1152
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- E.J. Daalder
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over dwangsom huisvestingsvergunning Amsterdam
In 2017 vroeg appellant een huisvestingsvergunning aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college nam geen tijdig besluit, waarop appellant beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en legde het college een dwangsom op voor iedere dag dat het niet zou beslissen.
Het college nam uiteindelijk op 15 februari 2018 een besluit tot afwijzing van de aanvraag en stelde een dwangsom van € 2.300,- vast. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van deze dwangsom, omdat hij de brief pas op 2 augustus 2018 ontving. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit in haar uitspraak van 23 mei 2019.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de brief van 15 februari 2018 geen besluit in de zin van de Awb is, omdat de vaststelling van de dwangsom geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft. Hierdoor is het bezwaar tegen de dwangsom niet-ontvankelijk en kan appellant zich tot de burgerlijke rechter wenden. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college voor zover het bezwaar tegen de dwangsom ongegrond is verklaard.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en het besluit van het college van 4 september 2018, en verklaart het bezwaar tegen de dwangsom niet-ontvankelijk. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het bezwaar tegen de dwangsom wordt niet-ontvankelijk verklaard.