ECLI:NL:RVS:2019:3442
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid bewaring na afwijzing asielverzoek als kennelijk ongegrond
De vreemdeling diende op 30 mei 2019 een asielverzoek in dat op 23 juni 2019 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De vreemdeling werd vervolgens in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat hij geen rechtmatig verblijf had en hief de bewaring op.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat een vreemdeling van wie het asielverzoek als kennelijk ongegrond is afgewezen, gedurende de termijn voor het instellen van beroep of het afwachten van een voorlopige voorziening rechtmatig verblijf kan hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Dit betekent dat de gevolgen van het afwijzingsbesluit worden opgeschort zolang het rechtsmiddel kan worden ingesteld of wordt afgewacht.
Daarnaast is de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 gerechtvaardigd indien nog onderzoek moet plaatsvinden naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. In deze zaak was de identiteit niet vastgesteld omdat alleen een kopie van een paspoort was overgelegd waarvan de authenticiteit niet kon worden vastgesteld. De Dienst Terugkeer en Vertrek zet het onderzoek voort.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De bewaring was rechtmatig omdat de identiteit nog niet was vastgesteld en het onderzoek werd voortgezet, terwijl de vreemdeling rechtmatig verblijf had tijdens de termijn van het rechtsmiddel.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft rechtmatig.