ECLI:NL:RVS:2019:1710
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel aan asielzoeker na afwijzing in grensprocedure
Bij besluit van 21 oktober 2018 legde de staatssecretaris een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling wiens asielverzoek in de grensprocedure was afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval opheffing van de maatregel. De staatssecretaris ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarop de maatregel was gebaseerd, geen deugdelijke wettelijke grondslag biedt voor vrijheidsontneming gedurende de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van het asielverzoek en de terugkeerverplichting.
De Afdeling verwees naar het arrest Gnandi van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat tijdens de rechtsmiddelentermijn alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort, waardoor vrijheidsontneming op grond van de Terugkeerrichtlijn niet is toegestaan. De Afdeling oordeelde dat het besluit tot toegangsweigering niet dezelfde rechtsgevolgen heeft en dat de rechtsgevolgen daarvan niet worden opgeschort. Desondanks bleek geen van de nationale wettelijke grondslagen, waaronder artikel 6, eerste, tweede, derde en zesde lid, en artikel 6a van de Vreemdelingenwet 2000, geschikt om vrijheidsontneming in deze situatie te rechtvaardigen.
De Afdeling concludeerde dat de huidige nationale wetgeving geen passende basis biedt voor vrijheidsontneming van asielzoekers gedurende de rechtsmiddelentermijn na afwijzing in de grensprocedure. Dit betekent dat asielzoekers feitelijk toegang tot Nederland en het Schengengebied moeten worden verleend, en dat artikel 3, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat onmiddellijke weigering van toegang voorschrijft, in deze gevallen buiten toepassing moet worden gelaten. De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is onrechtmatig en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.