ECLI:NL:RVS:2019:1246
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking Nederlanderschap wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluiten van 11 september 2017 het Nederlanderschap van appellant ingetrokken en hem ongewenst verklaard wegens deelname aan terroristische organisaties in Syrië en Irak. De rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen tegen deze besluiten niet-ontvankelijk, onder meer vanwege de kennisgevingsprocedure die het recht op hoor en wederhoor beperkt.
De Raad van State heeft het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van appellant ongegrond. De Afdeling vernietigt het oordeel van de rechtbank over de niet-ontvankelijkheid en toetst de besluiten inhoudelijk. De Afdeling oordeelt dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in stand kan blijven omdat de feiten waarop deze is gebaseerd dateren van vóór de inwerkingtreding van de wettelijke grondslag (artikel 14, vierde lid, RWN).
Hierdoor behoudt appellant zijn Nederlanderschap en vervalt ook de ongewenstverklaring. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van het rechtszekerheidsbeginsel en effectieve rechtsbescherming bij intrekking van het Nederlanderschap.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap en ongewenstverklaring worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.