ECLI:NL:RBDHA:2020:5783
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens deelname aan terroristische organisatie IS
Eiser, van Marokkaanse afkomst en sinds 1995 ook Nederlander, werd in 2018 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens deelname aan terroristische activiteiten voor Islamitische Staat (IS) in Syrië. Verweerder trok op 21 januari 2019 het Nederlanderschap van eiser in op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en verklaarde hem tot ongewenst vreemdeling wegens gevaar voor de nationale veiligheid.
De rechtbank overwoog dat eiser zich sinds 2013 heeft aangesloten bij IS en dat deze aansluiting voortduurde na 11 maart 2017, de datum waarop de intrekkingsgrond in werking trad. De rechtbank vond het strafvonnis en aanvullende bewijsmiddelen voldoende om aan te nemen dat eiser de doelen van IS onderschrijft en feitelijke handelingen voor de organisatie verrichtte.
De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser tegen willekeur, discriminatie en schending van het Unierecht. De intrekking is niet gebaseerd op nationaliteit of etnische afkomst, maar op gedragingen die de nationale veiligheid bedreigen. De maatregel is noodzakelijk, proportioneel en passend om terroristische dreigingen te voorkomen. Ook het ne bis in idem-beginsel werd niet geschonden omdat de maatregel niet strafrechtelijk is.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het achterwege laten van een zienswijzeprocedure gerechtvaardigd was vanwege de spoedeisendheid en het belang van nationale veiligheid. De beroepen tegen de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring worden ongegrond verklaard.