ECLI:NL:RVS:2019:990
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking Nederlanderschap wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Appellant sub 2 kreeg bij geboorte zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit. De staatssecretaris trok op 11 september 2017 zijn Nederlanderschap in en verklaarde hem ongewenst vanwege zijn aansluiting bij terroristische organisaties die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens toepassing van de kennisgevingsprocedure die volgens haar het recht op hoor en wederhoor beperkt.
In hoger beroep oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de kennisgevingsprocedure niet in strijd is met het Unierecht en het Handvest, mits de rechterlijke toetsing in twee instanties wordt gewaarborgd. Wel stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris de intrekking van het Nederlanderschap niet rechtsgeldig kon toepassen op feiten die zich voordeden vóór de inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) op 1 maart 2017.
De staatssecretaris had onvoldoende bewijs geleverd dat appellant sub 2 na die datum nog steeds was aangesloten bij de terroristische organisaties. Hierdoor ontbrak de wettelijke grondslag voor de intrekking en was deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De besluiten van 11 september 2017 werden vernietigd, waarmee appellant sub 2 zijn Nederlanderschap behoudt en de ongewenstverklaring vervalt.
De Afdeling benadrukte dat de kennisgevingsprocedure als instrument blijft bestaan, maar niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring van appellant sub 2 worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en onvoldoende bewijs.