ECLI:NL:RVS:2018:4069
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging onderzoek rijgeschiktheid na aantreffen drugs in voertuig
Het CBR legde appellant een onderzoek op naar zijn geschiktheid om motorrijtuigen te besturen nadat bij een politiecontrole op 8 augustus 2017 in Amersfoort drugs werden aangetroffen in zijn auto en heuptasje. Appellant verklaarde dagelijks drugs te gebruiken, wat het CBR aanleiding gaf tot een vermoeden van ernstig gestoord inzicht of gedrag.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Hij voerde aan dat het proces-verbaal onvoldoende bewijswaarde had vanwege het ontbreken van een handtekening en dat het enkele drugsgebruik onvoldoende was voor het vermoeden van ongeschiktheid.
De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van een handtekening niet leidt tot het terzijde schuiven van het proces-verbaal en dat het mutatierapport als aanvullend bewijs voldoende is. De verklaring van appellant over zijn drugsgebruik was consistent en voldoende om het vermoeden te rechtvaardigen.
Gelet op de feiten en omstandigheden mocht het CBR het onderzoek opleggen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot oplegging van het onderzoek bevestigd.