ECLI:NL:RBROT:2024:5831
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel
De burgemeester van Rotterdam heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid van handelshoeveelheden cocaïne en hennep. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldoende gelegenheid had gekregen zijn zienswijze naar voren te brengen, ondanks dat hij de brief met het voornemen tot sluiting niet had ontvangen. De aangetroffen hoeveelheden drugs en de omstandigheden rondom verzoeker, waaronder eerdere veroordelingen en vondsten van grote geldbedragen en attributen die duiden op drugshandel, maken aannemelijk dat de drugs bestemd waren voor verkoop.
De burgemeester was daarom bevoegd de woning te sluiten. De sluiting was noodzakelijk ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, mede gezien de ligging van de woning in een kwetsbare wijk. De maatregel is evenwichtig gelet op de belangenafweging, de verwijtbaarheid van verzoeker en de gevolgen voor zijn omgang met minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter wees het verzoek af, waardoor de sluiting voor drie maanden gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de woning mag voor drie maanden worden gesloten.