ECLI:NL:RVS:2018:2814
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingrechtelijke bewaring onrechtmatig wegens onjuiste staandehouding en schending verdedigingsbeginsel
De vreemdeling werd op 21 maart 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, ondanks dat de staandehouding onrechtmatig was omdat er geen objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. De rechtbank vond de ernst van het gebrek niet zwaar genoeg om de bewaring onrechtmatig te maken.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en klaagde onder meer dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel was uitgevallen en dat het verdedigingsbeginsel was geschonden doordat hij onvoldoende gelegenheid had om met zijn advocaat te overleggen tijdens een telehoorzitting. De Raad oordeelde dat het uiterlijk van de vreemdeling onterecht een belangrijke rol speelde bij de staandehouding, wat in strijd is met objectieve criteria.
Verder was het telehoren niet adequaat omdat de vreemdeling pas de avond voor de zitting het proces-verbaal ontving en daardoor niet goed met zijn advocaat kon overleggen. De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring gegrond. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend over de periode van de bewaring en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige bewaring.