ECLI:NL:RBDHA:2025:13331
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks onjuiste ophoudingsgrondslag
Eiser werd op 5 juni 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat de ophouding voorafgaand aan de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd. De rechtbank stelde vast dat eiser inderdaad niet op de juiste grondslag was opgehouden, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld aan de hand van authentieke documenten.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat dit gebrek in het voortraject niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitviel. Het risico op onttrekking aan toezicht en het ontbreken van een lichter middel maakten de bewaring proportioneel en noodzakelijk.
Verder wees de rechtbank het beroep af dat eiser langer dan 24 uur in een politiecel had verbleven, omdat uit het dossier bleek dat het verblijf korter was. Ook het betoog dat de minister een lichter middel had moeten toepassen werd verworpen, mede vanwege eerdere onttrekkingsrisico's van eiser.
De rechtbank veroordeelde de minister wel tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het gebrek in de ophoudingsgrondslag. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het vonnis werd uitgesproken door rechter M. Duifhuizen op 14 juli 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met een proceskostenveroordeling voor de minister.