ECLI:NL:RVS:2018:2366
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezinsleven bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor minderjarige kinderen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 juli 2016 de aanvraag van twee minderjarige vreemdelingen uit Ghana om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen, die bij hun oom in Ghana verbleven en de Nederlandse nationaliteit van hun vermeende biologische vader, de referent, wilden verkrijgen, stelden dat zij gezinsleven met hem hadden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de beleidsregel in de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin wordt gesteld dat bij kinderen die niet uit een huwelijk of daarmee gelijkgestelde relatie zijn geboren het gezinsleven pas wordt aangenomen als de biologische vader voldoende invulling aan de relatie geeft, niet in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. De Afdeling wees erop dat enkel biologische verwantschap onvoldoende is en dat feitelijke invulling en hechte persoonlijke banden noodzakelijk zijn.
In dit geval was er geen sprake van samenwoning of andere factoren die wijzen op beschermenswaardig gezinsleven. De referent had verklaard nooit met de kinderen te hebben samengewoond en er was onvoldoende bewijs van nauwe betrokkenheid bij hun opvoeding of ontwikkeling. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van feitelijke invulling van het gezinsleven.