ECLI:NL:RBDHA:2018:9787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 augustus 2018
Publicatiedatum
13 augustus 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12135
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 9 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken duurzame gezinsband

Eiseres, geboren in 2015 en houdster van de Eritrese nationaliteit, verzocht via haar vermeende biologische vader (referent) om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet was geboren tijdens een huwelijk of een daarmee gelijkgestelde relatie en er geen feitelijke gezinsband was vastgesteld.

Eiseres betoogde dat er wel sprake was van een met een huwelijk gelijkgestelde duurzame relatie tussen referent en haar moeder en dat er een feitelijke gezinsband bestond. Zij stelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan, bijvoorbeeld door geen identificerend interview of DNA-test te verrichten.

De rechtbank stelde vast dat er geen officiële documenten waren die een duurzame relatie tussen referent en de moeder van eiseres onderbouwden. De verklaringen van referent waren inconsistent en onvoldoende om een duurzame en exclusieve relatie aan te tonen. Daarnaast was referent ten tijde van zijn inreis gehuwd met een andere vrouw, waarmee hij een duurzame relatie onderhield.

De rechtbank volgde het standpunt van verweerder dat de enkele biologische verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven aan te nemen volgens artikel 8 EVRM Pro. Ook de financiële ondersteuning door referent was onvoldoende om een feitelijke gezinsband aan te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een duurzame relatie en feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/12135

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B. Manawi),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder
(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuys).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Bij besluit van 22 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren [referent] (referent) en T. Tzegai (tolk) ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2015 en bezit de Eritrese nationaliteit. Referent heeft op 24 december 2015 een aanvraag voor een mvv ingediend in het kader van nareis. Hij heeft deze mvv aangevraagd voor zijn echtgenote, twee pleegkinderen en voor eiseres, zijn gestelde biologische kind uit een buitenechtelijke relatie. Bij het primaire besluit is deze aanvraag afgewezen. Daartegen is namens de vier betrokkenen bezwaar ingediend. In de gronden van bezwaar is echter aangegeven dat de relatie tussen referent en zijn echtgenote is verbroken en dat hij slechts eiseres nog over wenst te laten komen. Bij brief van 3 april 2017 is de mvv-aanvraag voor de echtgenote van referent en de twee pleegkinderen ingetrokken.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ten aanzien van de aanvraag van eiseres in het primaire besluit gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een feitelijke gezinsband nu eiseres niet is geboren tijdens een huwelijk of een met een huwelijk gelijkgestelde relatie. Daarbij heeft verweerder gesteld dat er geen invulling is gegeven aan de gestelde feitelijke gezinsband tussen referent en eiseres. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd dat het beroep op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het beroep op artikel 9 van Pro het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) niet kan slagen.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij stelt dat zij wel is geboren tijdens een met een huwelijk gelijkgestelde relatie. Uit de verklaringen van referent volgt immers dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft gehad met haar moeder, [persoon 1] (hierna te noemen: [persoon 1] ). Daarbij stelt eiseres dat er wel degelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. De ratio van het nareisbeleid luidt dat er altijd sprake is van gezinsleven tussen ouders en minderjarige biologische kinderen. Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit niet deugdelijke gemotiveerd is nu verweerder geen andere toetsen heeft verricht om de situatie van referent beter in kaart te brengen. Zo zou een identificerend interview met de moeder van eiseres, eventueel met in combinatie met een DNA-test meer duidelijkheid en zekerheid kunnen bieden.
4. De rechtbank stelt vast dat er geen officiële documenten zijn overgelegd die onderbouwen dat referent en [persoon 1] een duurzame en exclusieve relatie hadden ten tijde van de geboorte van eiseres. Gelet hierop is het aan de referent om dit met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aan te tonen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat referent hier niet in is geslaagd.
Verweerder heeft bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat referent ten tijde van zijn inreis in Nederland gehuwd was met [persoon 2] (hierna te noemen [persoon 2] ) en dat uit de verklaringen van referent volgt dat hij ook invulling aan dit huwelijk gaf en dat dit huwelijk ten tijde van zijn uitreis niet was verbroken. Zo heeft hij onder andere tijdens zijn eerste gehoor op 15 oktober 2015 herhaaldelijk naar [persoon 2] als zijn echtgenote verwezen. Daarbij heeft hij op 24 december 2015 ten behoeve van [persoon 2] een aanvraag voor een mvv in het kader van nareis aangevraagd. Ook blijkt uit de op 15 oktober 2015 afgelegde verklaring ten aanzien van zijn relatie met [persoon 1] niet dat deze relatie duurzaam en exclusief was. Zo heeft referent over [persoon 1] verklaard dat zij ‘soort van’ een vriendin van hem was, maar dat hij getrouwd was met [persoon 2] en dat hij met haar samen is. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de in het bestreden besluit gegeven motivering van verweerder dat uit de verklaringen van referent geenszins is gebleken dat de relatie met [persoon 1] duurzaam en exclusief was en dat het huwelijk met [persoon 2] een dwanghuwelijk zou zijn. Dat er sprake is van bewijsnood kan, gezien zijn verklaringen, dan ook niet worden gevolgd.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat eiseres is geboren tijdens een huwelijk dan wel tijdens een met een huwelijk gelijkgestelde duurzame relatie.
Evenmin is gebleken van voldoende invulling van de feitelijke gezinsband. Het standpunt van eiseres dat de ratio van het nareisbeleid luidt dat er altijd sprake is van gezinsleven tussen ouders en minderjarige biologische kinderen, volgt de rechtbank niet. Zoals volgt uit de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2018:2366) is de enkele biologische verwantschap onvoldoende om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen. Nu referent heeft verklaard dat hij nooit met eiseres heeft samengewoond en dat hij haar nog nooit heeft ontmoet, is de enkele stelling van referent dat hij eiseres financieel ondersteund onvoldoende om een feitelijke gezinsband aan te nemen. Dat hij gezien zijn cultuur, zoals gesteld op zitting, altijd voor haar zal zorgen maakt dit niet anders.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen [persoon 1] en referent en dat er onvoldoende invulling wordt aan het gezinsleven tussen referent en eiseres.
5. Het beroep zal derhalve ongegrond verklaard worden .
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Siderius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.