ECLI:NL:RVS:2017:793
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling werd op 21 december 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met als motieven onder meer dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen, onvoldoende middelen van bestaan had en verdachte was van een misdrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat de staatssecretaris onvoldoende nadere motivering had gegeven voor het risico op onderduiken.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat de grond van onrechtmatige binnenkomst een zware grond is waarvoor geen nadere motivering vereist is. Ook stelde hij dat de toelichting in de maatregel voldoende was, omdat de vreemdeling illegaal via Italië, Frankrijk en België naar Nederland was gekomen.
De Afdeling oordeelde echter dat uit de enkele grond van onrechtmatige binnenkomst zonder nadere motivering niet kan worden afgeleid dat er een significant risico op onderduiken bestaat. De Afdeling bevestigde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en wees het hoger beroep af. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is wegens onvoldoende motivering en wijst het hoger beroep af.