ECLI:NL:RVS:2017:3291
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel wegens Dublinverordening
De staatssecretaris heeft op 21 april 2017 besloten een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat de vreemdeling volgens de Dublinverordening aan Duitsland kan worden overgedragen. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het tweede terugnameverzoek op 3 april 2017 te laat was ingediend en stelde dat Nederland verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het eerste terugnameverzoek van 13 februari 2017 tijdig was gedaan en dat Duitsland daarom verantwoordelijk blijft. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het tweede verzoek als uitgangspunt nam en bevestigde dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is.
Het beroep tegen het latere besluit van 20 juni 2017, waarin wederom de aanvraag niet in behandeling werd genomen, werd ongegrond verklaard. De Raad van State benadrukte dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ertoe leidt dat Nederland mag vertrouwen op de naleving van de Dublinverordening door Duitsland. De procedurekosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard; Duitsland blijft verantwoordelijk voor behandeling asielverzoek; beroep tegen besluit 20 juni 2017 ongegrond.