ECLI:NL:RVS:2017:2627
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische noodsituatie en feitelijke toegankelijkheid zorg bij uitzetting vreemdeling
De vreemdeling uit Guinee verzocht om uitstel van uitzetting op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn ernstige psychische aandoeningen. Hij stelde dat de noodzakelijke medische behandeling in Guinee onvoldoende en niet voor hem toegankelijk zou zijn, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.
De staatssecretaris baseerde zijn besluit op een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), waarin werd vastgesteld dat behandeling voor de psychische klachten in Guinee beschikbaar is, maar dat een medische noodsituatie niet met zekerheid kon worden uitgesloten. De rechtbank oordeelde dat de beschikbaarheid in medisch-technische zin leidend is en dat feitelijke toegankelijkheid niet doorslaggevend is.
De vreemdeling voerde in hoger beroep aan dat het arrest Paposhvili van het EHRM vereist dat ook de feitelijke toegankelijkheid moet worden onderzocht. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat het arrest Paposhvili hoge eisen stelt aan het bewijs van een reëel risico op onmenselijke behandeling bij uitzetting en dat de staatssecretaris eerst moet vaststellen of bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op korte termijn ontstaat.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht een termijn van drie maanden hanteert voor de beoordeling van een medische noodsituatie en dat de vreemdeling onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de behandeling in Guinee voor hem niet toegankelijk is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.