ECLI:NL:RVS:2016:547
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbanken bij beroepen tegen besluiten raad voor rechtsbijstand na centralisatie
In deze uitspraak oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over een jurisdictiegeschil tussen de rechtbank Midden-Nederland en de rechtbank Den Haag over de relatieve bevoegdheid bij beroepen tegen besluiten van de raad voor rechtsbijstand. Het geschil betreft een beroep van een persoon tegen een besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 23 februari 2015, waarbij een bezwaar tegen een eerdere afwijzing van een verzoek om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ongegrond werd verklaard.
De Afdeling analyseert de wettelijke regeling omtrent de vestigingen van de raad voor rechtsbijstand en de bevoegdheid van rechtbanken volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De centrale vraag is of de rechtbank Midden-Nederland, waarin Utrecht ligt, bevoegd is, aangezien de raad zijn zetel in Utrecht heeft, of dat de rechtbank Den Haag bevoegd is omdat de aanvraag om toevoeging werd ingediend bij de vestiging Den Haag.
De Afdeling concludeert dat de zetel van de raad in Utrecht niet bepalend is voor de bevoegdheid van de rechtbanken. De wetgever heeft de bevoegdheid verdeeld over de vijf ressortsrechtbanken waar de raad vestigingen heeft, conform het ressort waar de rechtsbijstandsverlener kantoor houdt. Omdat de aanvraag werd ingediend door een advocaat uit Rotterdam, dat binnen het ressort Den Haag valt, is de rechtbank Den Haag bevoegd. De rechtbank Midden-Nederland is niet bevoegd. De Afdeling verklaart de rechtbank Den Haag bevoegd en wijst erop dat de rechtsmiddelverwijzing in het bestreden besluit onjuist is.
Uitkomst: De rechtbank Den Haag is bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van de raad voor rechtsbijstand, niet de rechtbank Midden-Nederland.