ECLI:NL:RVS:2016:3350
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Handhaving voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling wegens risico schending artikel 3 EVRM
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat uitzetting naar Uganda, vanwege het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro wegens homoseksuele geaardheid, niet mocht plaatsvinden. Hoewel het hoger beroep bij de Afdeling van rechtswege geen schorsende werking heeft, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen die uitzetting schorst.
De voorzieningenrechter besprak uitgebreid de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat het ontbreken van schorsende werking in hoger beroep in asielzaken betekent dat het hoger beroep geen effectief rechtsmiddel is. Dit leidt ertoe dat vreemdelingen zich direct tot het EHRM kunnen wenden zonder eerst het hoger beroep af te wachten.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het aan de wetgever is om te bepalen of en hoe schorsende werking aan hoger beroep moet worden toegekend. Vooralsnog zal de voorzieningenrechter in zaken met een 'arguable claim' op grond van artikel 3 EVRM Pro eerder een voorlopige voorziening treffen om uitzetting te voorkomen, tenzij aannemelijk is dat de uitspraak in de bodemprocedure wordt bevestigd.
In deze zaak handhaaft de voorzieningenrechter de eerder getroffen voorlopige voorziening die uitzetting van de vreemdeling tegenhoudt, mede ter bescherming van de rechtsontwikkeling en rechtseenheid in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: De voorlopige voorziening die uitzetting van de vreemdeling voorkomt wordt gehandhaafd.