ECLI:NL:RVS:2017:1407

Raad van State

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
201703646/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 28 maart 2017 de aanvraag van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen gingen hiertegen in beroep bij de rechtbank, die op 26 april 2017 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het niet op voorhand aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zal blijven, mede gelet op eerdere jurisprudentie. Daarom kwam het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de vreemdelingen niet mogen worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen tot een bedrag van €495,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201703646/2/V2.
Datum uitspraak: 24 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling A], [vreemdeling B] en [vreemdeling C],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 april 2017 in zaak nr. 17/7157 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 april 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
1.    Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen worden uitgezet dan wel dat de verstrekkingen, voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, worden beëindigd gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is niet op voorhand aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Het verzoek komt daarom, mede gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Van Loon
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017
284-806.