ECLI:NL:RVS:2016:2846

Raad van State

Datum uitspraak
3 oktober 2016
Publicatiedatum
26 oktober 2016
Zaaknummer
201600984/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurAlgemene wet bestuursrecht Art. 8:67
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens misbruik van recht bij Wob-verzoek

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een Wob-verzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van misbruik van recht door appellant en zijn gemachtigde.

De Afdeling baseert dit oordeel op meerdere eerdere uitspraken waarin soortgelijke Wob-procedures met betrokkenheid van dezelfde gemachtigde zijn beoordeeld als misbruik van recht. Tevens is vastgesteld dat de gemachtigde tussen 2012 en 2015 ruim €309.318 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft ontvangen in verband met soortgelijke Wob-verzoeken.

Daarnaast is het Wob-verzoek in deze zaak vaag geformuleerd, wat onnodige discussie in vervolgprocedures veroorzaakt. De gemachtigde heeft geen specifieke machtiging overgelegd en is niet verschenen op zittingen, wat het proces verder bemoeilijkt.

Gezien deze omstandigheden acht de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht, waarmee de procedure wordt beëindigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht bij het indienen van het Wob-verzoek en het instellen van hoger beroep.

Uitspraak

201600984/1/A3.
Datum uitspraak: 3 oktober 2016 AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2015 in zaak nr. 15/616 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2016. Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman voorzitter
Staatsraad mr. B.P. Vermeulen lid
Staatsraad mr. A.B.M. Hent rapporteur griffier: mr. T. Hartsuiker Verschenen:
De minister, vertegenwoordigd door mr. J. Jansen en mr. H.O. Nieuwpoort, beiden werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM). Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2015. De Afdeling
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Daartoe overweegt zij het volgende. De minister heeft in zijn verweerschrift van 16 september 2016 aangevoerd dat in deze zaak sprake is van misbruik van recht. De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak sprake is van aan [appellant] toe te rekenen misbruik door zijn [gemachtigde] van de wettelijke bevoegdheid om een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) in te dienen en hoger beroep in te stellen. Dit oordeel is op de volgende feiten en omstandigheden gebaseerd: - de Afdeling heeft in een groot aantal uitspraken (onder meer de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102, 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585, 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1885 en ECLI:NL:RVS:2016:1884, 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016:1957, en 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312) ten aanzien van soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak waarbij [gemachtigde] is betrokken, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen. Dat [gemachtigde] dit misbruik veelvuldig maakt, wordt bevestigd door het in het verweerschrift van de minister genoemde bedrag van € 309.318,00 dat [gemachtigde] in de periode van 2012 tot en met 2015 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft ontvangen in verband met, zoals het verzoek in deze zaak, bij de CVOM ingediende Wob-verzoeken; - de Afdeling heeft in een aantal uitspraken (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1947) ten aanzien van soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak waarbij [appellant] is betrokken, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen; - [gemachtigde] voert als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken, waarbij hij veelvuldig gebruik maakt van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in deze zaak heeft gedaan; - [appellant] is zelf rechtsbijstandverlener en heeft ruime ervaring met procedures over Wob-verzoeken. In plaats van in deze zaak zelf over zijn Wob-verzoek te procederen, heeft [appellant] ervoor gekozen om [gemachtigde] in te schakelen; - het is onduidelijk wat in het Wob-verzoek in deze zaak wordt bedoeld met "alle digitaal vastgelegde gegevens in uw IT-systemen". Deze vaagheid van het verzoek maakt het op het verzoek te nemen besluit onnodig extra vatbaar voor discussie in vervolgprocedures; - in bezwaar en beroep is [gemachtigde] gevraagd om een specifiekere machtiging over te leggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. [gemachtigde] heeft de rechtbank voorts geen toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten, terwijl hij noch [appellant] op de zittingen van de rechtbank is verschenen. w.g. Borman w.g. Hartsuiker
voorzitter griffier 620.