ECLI:NL:RVS:2016:2005
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van afzonderlijke beroepen tegen opeenvolgende maatregelen van vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 15 april 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Na een verzoek om internationale bescherming en een kennisgeving van een tweede asielaanvraag werd de eerste maatregel opgeheven en op 26 april 2016 een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van dezelfde wet.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de eerste maatregel gegrond en kende schadevergoeding toe, maar wees het beroep tegen de tweede maatregel af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing en stelde dat de rechtbank ten onrechte niet ook het beroep tegen de tweede maatregel had moeten toewijzen vanwege de samenhang tussen beide maatregelen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat sinds wetswijzigingen in 2014 en 2015 elke wijziging van de wettelijke grondslag van een maatregel van bewaring een nieuwe maatregel betreft, waarvoor afzonderlijk beroep moet worden ingesteld. De samenhang tussen opeenvolgende bewaringen maakt niet dat het beroep tegen de latere maatregel gegrond moet worden verklaard vanwege gebreken aan de eerdere maatregel.
De grief van de vreemdeling faalt en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.