ECLI:NL:RBDHA:2021:9543
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bewaring en consulaire bijstand bij vreemdeling
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, betwistte de rechtmatigheid van zijn ophouding en bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat tijdens de ophouding geen verhoor had plaatsgevonden en dat zijn recht op consulaire bijstand was geschonden. De rechtbank oordeelde dat artikel 50, tweede lid, Vw 2000 geen verplichting tot verhoor tijdens ophouding bevat en verwierp dit beroep.
Verder werd vastgesteld dat de elektronische handtekeningen onder de besluiten geldig waren en dat de bewaring gegrond was op meerdere niet betwiste gronden, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan vaststelling identiteit. De rechtbank vond dat geen minder ingrijpende maatregel dan bewaring passend was.
Hoewel het recht op consulaire bijstand niet volledig was nageleefd, leidde dit niet tot opheffing van de bewaring omdat de belangenafweging in verhouding bleef. De rechtbank paste artikel 6:22 Awb Pro toe om het gebrek te passeren en verklaarde de beroepen ongegrond. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De beroepen tegen de bewaring worden ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.