ECLI:NL:RBDHA:2023:8460
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Boete opgelegd aan luchtvaartmaatschappij voor niet tijdige terugbetaling na faillissement reisorganisatie
De zaak betreft een bestuurlijke boete van €22.400,- opgelegd aan een luchtvaartmaatschappij wegens het niet binnen zeven dagen terugbetalen van vliegticketprijzen aan passagiers na annulering van vluchten, in strijd met Verordening 261/2004. Dit volgde op meldingen van passagiers die geen terugbetaling ontvingen nadat de tussenpersoon, een failliete reisorganisatie, de restitutie niet had doorbetaald.
De luchtvaartmaatschappij voerde aan dat zij niet als overtreder kon worden aangemerkt en dat de boete onevenredig was. De rechtbank oordeelt dat de Verordening duidelijk stelt dat de luchtvaartmaatschappij verantwoordelijk is voor terugbetaling aan passagiers, ook als restitutie via een tussenpersoon verloopt. Het faillissement van de tussenpersoon ontslaat de luchtvaartmaatschappij niet van deze verplichting.
Verder is vastgesteld dat de luchtvaartmaatschappij een vaste handelswijze hanteert waarbij zij weigert rechtstreeks aan passagiers terug te betalen als al aan de tussenpersoon is betaald, wat stelselmatig in strijd is met de Verordening. De rechtbank vindt dat verweerder terecht handhavend is opgetreden en de boete passend is gelet op de ernst en verwijtbaarheid.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de boete, waarbij ook het argument van vermeende vooringenomenheid en onzorgvuldige communicatie door de ILT niet wordt gevolgd. De uitspraak benadrukt de bescherming van passagiersrechten en het belang van naleving van de Verordening door luchtvaartmaatschappijen.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete van €22.400,- wegens overtreding van Verordening 261/2004 wordt ongegrond verklaard en de boete bevestigd.