ECLI:NL:RVS:2014:453
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over uitstel van vertrek op medische gronden volgens artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen een afwijzing van uitstel van vertrek op medische gronden gegrond verklaarde. De vreemdeling had verzocht om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, dat uitstel van uitzetting mogelijk maakt bij onverenigbaarheid van reizen met de gezondheidstoestand.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet had mogen volstaan met een ongemotiveerde toepassing van artikel 64 vanaf Pro de datum van het inwilligende besluit, maar had moeten onderzoeken of de medische omstandigheden ook op een eerder moment tot toepassing van dit artikel hadden moeten leiden. De staatssecretaris voerde aan dat het beleid bewust was om artikel 64 niet Pro met terugwerkende kracht toe te passen, maar de rechtbank vond dat dit beleid onvoldoende was gemotiveerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het beleid niet als beleidsregel is bekendgemaakt en dat de staatssecretaris daarom in het concrete geval had moeten motiveren waarom hij aan dit beleid vasthield. Het besluit van 5 november 2012 is daardoor ondeugdelijk gemotiveerd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van de gronden.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en tot betaling van griffierecht. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 6 februari 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.