ECLI:NL:RVS:2014:3184
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afgeleid verblijfsrecht voor derdelander familielid van EU-burger bij terugkeer naar lidstaat van nationaliteit
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een verblijfsdocument had toegewezen. De vreemdeling, Marokkaanse nationaliteit, stelde recht te hebben op verblijf als familielid van een EU-burger die in België verbleef.
De Raad van State heeft het arrest van het Hof van Justitie van de EU (C-456/12) betrokken bij de beoordeling. Dit arrest verduidelijkt dat een derdelander alleen een afgeleid verblijfsrecht kan verkrijgen bij terugkeer naar de lidstaat van nationaliteit van de EU-burger indien sprake is van een daadwerkelijk en aaneengesloten verblijf van meer dan drie maanden, waarbij een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd.
In deze zaak verbleef de EU-burger en de vreemdeling slechts in weekenden samen in België, wat niet voldoet aan de vereisten van een aaneengesloten verblijf. Bovendien is een EU-verblijfskaart declaratoir en verleent deze geen automatisch verblijfsrecht in een andere lidstaat. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van het verblijfsdocument bevestigd.