ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5261
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verblijfsrecht op grond van gemeenschapsrecht en vertrouwensbeginsel in vreemdelingenrecht
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder wees deze aanvraag af, stellende dat eiser geen verblijfrecht kon ontlenen aan Richtlijn 2004/38 omdat de echtgenote van eiser niet aannemelijk haar hoofdverblijf in België had gevestigd.
De rechtbank oordeelt dat eiser en zijn echtgenote erop mochten vertrouwen dat de EU-verblijfskaart van de Belgische autoriteiten bevestigde dat zij als begunstigd EU-burger gold. Dit vertrouwen werd versterkt door eerdere besluiten van verweerder waarin deze status niet werd betwist. Ook is voldoende bewijs geleverd dat eiser en zijn echtgenote in België hebben samengewoond, en dat hun relatie duurzaam en hecht was, ook na het vertrek van eiser naar Marokko.
De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor het gevraagde verblijfsdocument. Daarom worden de bestreden besluiten vernietigd en wordt verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en wordt een voorlopige voorziening getroffen die uitzetting van eiser tijdelijk verhindert.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van verweerder en draagt op nieuwe besluiten te nemen, waarbij eiser recht krijgt op het verblijfsdocument.