Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
van ten minste zes maanden. In geschil is of dit aspect van het beleid in strijd is met het Unierecht.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende echtgenoot van een Nederlandse burger, verbleef vijf maanden met zijn gezin in Duitsland en verzocht om een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder wees de aanvraag af op grond van het beleid dat een verblijf van ten minste zes maanden vereist is om het gezinsleven op te bouwen of bestendigen, zoals vermeld in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
De rechtbank oordeelt dat dit beleid een onjuiste interpretatie is van artikel 7 van Pro Richtlijn 2004/38/EG en het arrest O. en B. van het Hof van Justitie van de EU, waarin geen expliciete termijn voor verblijf is genoemd en de term 'substantieel' niet voorkomt. De rechtbank onderschrijft de interpretatie van de Afdeling bestuursrechtspraak dat een verblijf van meer dan drie maanden voldoende is om een afgeleid verblijfsrecht te vestigen.
Omdat eiser heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 gedurende Pro vijf maanden verblijf en gezinsleven in Duitsland, is het besluit van verweerder onrechtmatig. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op het verblijfsdocument binnen vier weken te verlenen. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen het verblijfsdocument EU/EER binnen vier weken te verlenen.