ECLI:NL:RVS:2013:CA1997
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De minister van Buitenlandse Zaken wees een aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af op 26 mei 2011. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister, stelde de rechtbank op 30 augustus 2012 het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.
De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister niet had beoordeeld of en wanneer de gezinsband tussen vreemdeling 2 en zijn moeder was verbroken. De Afdeling stelde dat de minister terecht had beoordeeld of vreemdeling 2 feitelijk tot het gezin van zijn moeder behoorde op het moment van vertrek uit Somalië, conform het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000.
Verder verwierp de Afdeling de stellingen van de vreemdelingen dat de minister onterecht tegenstrijdigheden in verklaringen had aangenomen en onvoldoende rekening had gehouden met de gezondheidstoestand van de moeder. Ook het beroep op Europese regelgeving en het veranderde beleid in 2012 faalde.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand.