ECLI:NL:RVS:2012:BX4820
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezinsband vreemdeling met referente voor verblijfsvergunning
De vreemdeling, geboren in 1995, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van het feit dat hij tot het gezin van zijn moeder, de referente, behoorde. De minister wees de aanvraag af omdat er tegenstrijdige verklaringen waren over de gezinssituatie in het land van herkomst, met name over het overlijden van de vader en de verblijfplaats van de vreemdeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, stellende dat de gezinsband niet aannemelijk was gemaakt. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Raad stelde vast dat de tegenstrijdigheden niet relevant waren voor de kernvraag of de vreemdeling tot het gezin behoorde tot het moment van vertrek uit het land van herkomst.
De Raad volgde het beleid dat biologische kinderen tot het gezin behoren tenzij de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. De minister kon niet aannemelijk maken dat de gezinsband was verbroken. De verklaringen van de vreemdeling en de referente over het verblijf bij een tante na een incident kwamen overeen.
De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De vreemdeling wordt daarmee in het gelijk gesteld en krijgt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van het verbreken van de gezinsband.