ECLI:NL:RVS:2013:2361
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdelingen geen machtiging tot voorlopig verblijf krijgen wegens ontbreken feitelijke gezinsband
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 9 december 2010 de aanvragen van vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank het beroep van twee vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit gedeeltelijk. Zowel de minister als de vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdelingen kennelijk ongegrond was, omdat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt feitelijk tot het gezin van de referent te hebben behoord. De Afdeling stelde vast dat het ontbreken van een feitelijke gezinsband ondanks het DNA-onderzoek niet kon worden genegeerd. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en op afwijking van het beleid faalde, omdat het vereiste van feitelijke gezinsband voortvloeit uit formele wetgeving.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep van de vreemdelingen gegrond verklaarde en bevestigde het besluit van de minister. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, dat van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvragen bevestigd.