ECLI:NL:RVS:2013:1749
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens verblijfsgat en geen uitzonderlijke omstandigheden
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing van haar verzoek tot verlening van het Nederlanderschap door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het verzoek werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de vereiste van minimaal vijf jaar hoofdverblijf binnen het Koninkrijk voorafgaand aan het verzoek, vanwege een verblijfsgat van 28 februari 2006 tot 8 juni 2006.
Appellant voerde onder meer aan dat de staatssecretaris onjuist had gehandeld door het besluit van 3 mei 2012 te nemen terwijl bezwaar tegen een eerder besluit nog aanhangig was, dat het verblijfsgat onterecht werd vastgesteld en dat artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) toegepast had moeten worden vanwege bijzondere omstandigheden zoals huiselijk geweld en onjuist advies.
De Raad van State oordeelde dat het besluit van 3 mei 2012 niet in strijd was met artikel 6:18 Awb Pro, dat het verblijfsgat terecht werd vastgesteld omdat appellant geen rechtsmiddel had aangewend tegen het besluit van 17 augustus 2006, en dat de staatssecretaris terecht terughoudend was met toepassing van artikel 10 RWN Pro. Ook was het horen in de bezwaarfase niet verplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.