ECLI:NL:RBDHA:2014:10096
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank stelt ingangsdatum verblijfsvergunning vast op datum eerdere aanvraag en wijst proceskosten toe
Eiser, van Sri Lankaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als gezinslid bij zijn dochter. De staatssecretaris wees de aanvraag aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gegrond en verleende de vergunning met ingang van 19 september 2013.
Eiser stelde dat de ingangsdatum eerder vastgesteld moest worden, namelijk op 8 maart 2013, de datum van zijn oorspronkelijke aanvraag en het moment waarop hij aantoonde aan de verblijfsvoorwaarden te voldoen. De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie tijdens de hoorzitting op 19 september 2013 geen nieuwe doorslaggevende feiten bevatte en dat de voorwaarden reeds op 8 maart 2013 waren aangetoond.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betrof en bepaalde dat de vergunning met ingang van 8 maart 2013 geldt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep, alsmede het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank stelde de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 8 maart 2013 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.