Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [2008] ,eiser
Rechtbank Den Haag
Eiser, vertegenwoordigd door zijn vader, betwistte de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning die was vastgesteld op 22 november 2019, de datum waarop aan zijn moeder een verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez werd verleend.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve het procesbelang en stelde vast dat eiser belang heeft bij de beoordeling van de ingangsdatum vanwege gevolgen voor toekomstige verblijfsrechten en naturalisatie.
De rechtbank volgde de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 mei 2021, waarin werd bevestigd dat verweerder niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van afgeleide verblijfsrechten vast te stellen, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat. Dit betekent dat eiser toekomstige aanspraken kan laten toetsen door de rechter.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen proceskosten toekende en dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.