ECLI:NL:RVS:2003:AH9033
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat geen bijzonder geval is voor naturalisatie op grond van artikel 10 Rijkswet Nederlanderschap
De staatssecretaris van Justitie wees op 24 november 2000 het verzoek van een vreemdeling om verlening van het Nederlanderschap af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 5 juli 2001 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap de staatssecretaris beoordelingsruimte geeft om in bijzondere gevallen af te wijken van de voorwaarden voor naturalisatie. De rechtbank had ten onrechte haar eigen oordeel gesteld in plaats van de redelijkheidstoets toe te passen op het besluit van de staatssecretaris.
De Raad stelde vast dat de vreemdeling niet voldeed aan de vereiste verblijfsduur en ingeburgerdheid, en dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat geen sprake was van een bijzonder geval. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.